Wat als gecombineerd vervoer geldt
Richtlijn 92/106/EEG omschrijft gecombineerd vervoer als het vervoer van goederen tussen lidstaten waarbij het wegvoertuig of de laadeenheid (vrachtwagen, aanhangwagen, oplegger, wissellaadbak of container) het begin- of eindtraject over de weg aflegt en het andere, hoofdtraject per spoor, over de binnenwateren of over zee. Twee afstandstoetsen bepalen of daarvan sprake is. Ten eerste moet het niet-wegtraject meer dan 100 km hemelsbreed bedragen. Ten tweede moeten de wegtrajecten binnen een omschreven grens blijven: bij een hoofdtraject per spoor tussen het punt van inlading en het dichtstbijzijnde geschikte spoorwegstation van inlading (en, op de bestemming, tussen het dichtstbijzijnde geschikte spoorwegstation van uitlading en het punt van aflevering); bij een hoofdtraject over de binnenwateren of over zee binnen een straal van ten hoogste 150 km hemelsbreed rond de haven van in- of uitlading. Een vervoersbeweging die deze grenzen overschrijdt, is gewoon wegvervoer en de voordelen van de richtlijn gelden daarvoor niet.
Hoe de richtlijn het wegtraject vrijstelt
Voor ritten die daarvoor in aanmerking komen, verplichtte artikel 2 de lidstaten om dit vervoer uiterlijk op 1 juli 1993 vrij te stellen van alle contingenterings- en vergunningstelsels — de controles die anders op het wegvervoer van toepassing zouden zijn. Artikel 4 versterkt dit door elke in een lidstaat gevestigde vervoerder het recht te geven de begin- en/of eindtrajecten over de weg uit te voeren die een integrerend deel uitmaken van een gecombineerd vervoer. Het praktische effect is dat de korte wegtrajecten worden behandeld als onderdeel van de intermodale keten en niet als afzonderlijk nationaal vervoer, zodat een vervoersbeweging die anders tegen contingenterings- of vergunningsgrenzen zou aanlopen, doorgang kan vinden. Of een specifieke vervoersbeweging daarvan profiteert, hangt ervan af of zij aan de voorwaarden van artikel 1 voldoet en dienovereenkomstig wordt aangetoond; de vrijstelling moet dus als voorwaardelijk worden beschouwd en niet als automatisch.
Verlaging van de voertuigbelasting op lidstaatniveau
Artikel 6 verplicht de lidstaten de belastingen op wegvoertuigen te verlagen of terug te betalen wanneer die voertuigen in gecombineerd vervoer worden ingezet, hetzij met een vast bedrag, hetzij naar rato van de trajecten die de voertuigen per spoor afleggen. Omdat de maatregel nationaal wordt uitgevoerd, verschillen het bedrag en het mechanisme per land, en is de tegemoetkoming waarschijnlijk alleen beschikbaar wanneer de nationale overheid daadwerkelijk maatregelen op grond van artikel 6 heeft getroffen en de vervoerder kan aantonen dat het voertuig is gebruikt voor een kwalificerende rit in gecombineerd vervoer. Vervoerders doen er dan ook goed aan de specifieke nationale regeling in elke betrokken lidstaat te verifiëren in plaats van ervan uit te gaan dat er een uniforme EU-brede verlaging voor hun wagenpark geldt.
Bewijs: het afgestempelde vervoersdocument
Artikel 3 stelt de voordelen afhankelijk van bewijs. Een vervoersdocument moet de spoorwegstations van in- en uitlading voor het spoortraject vermelden, of de binnenvaart- of zeehavens van in- en uitlading voor het watertraject. Die gegevens moeten worden vastgelegd voordat het vervoer wordt uitgevoerd en worden bevestigd met een stempel die de spoorweg- of havenautoriteiten aanbrengen zodra het spoor- of watergedeelte is voltooid. Zonder dit documentaire spoor zal een vervoerder die bij een controle langs de weg staande wordt gehouden waarschijnlijk niet kunnen aantonen dat de vervoersbeweging gecombineerd vervoer is, en zullen de vrijstellingen waarschijnlijk worden geweigerd. Het afgestempelde document is daarmee het praktische scharnierpunt waarop de aanspraak draait; het hoort bij de boeking te worden opgemaakt en niet achteraf te worden gereconstrueerd.
De herziening van 2023 is vastgelopen en dreigt te worden ingetrokken
In 2023 heeft de Commissie voorgesteld de richtlijn te wijzigen (COM(2023) 702 final, procedure 2023/0396(COD)) om er een ondersteuningskader voor intermodaal vervoer aan toe te voegen. Het voorstel zou een doelstelling vastleggen om de totale kosten van gecombineerd vervoer binnen 90 maanden na de inwerkingtreding met ten minste 10% te verlagen, de toegang tot de regeling opnieuw definiëren op basis van milieuprestaties — waarbij een vervoersoperatie ten minste 40% lagere externe kosten moet opleveren dan de gelijkwaardige rit die volledig over de weg gaat — en het bewijs verleggen naar platforms voor elektronische informatie over goederenvervoer (eFTI) in plaats van afgestempeld papier. De medewetgevers zijn het echter niet eens geworden over de tekst. Het Legislative Train Schedule van het Europees Parlement (stand 20 juni 2026) vermeldt dat het dossier is opgenomen in de lijst van in te trekken voorstellen in het werkprogramma 2026 van de Commissie, dat een formeel intrekkingsbesluit wordt verwacht en dat de coördinatoren van de TRAN-commissie van het Parlement bezwaar hebben gemaakt. Zolang er geen opvolger is vastgesteld, blijft Richtlijn 92/106/EEG in haar huidige vorm het geldende kader en beschrijven de cijfers van 10% en 40% een voorstel dat mogelijk nooit in werking treedt.
Wat te doen
Ga voordat u zich voor een bepaalde vervoersbeweging op de vrijstellingen beroept na of zij voldoet aan de afstandstoetsen van artikel 1, en stel een vervoersdocument op waarin de spoorwegstations van in-/uitlading of de binnenvaart-/zeehavens worden genoemd en dat door de spoorweg- of havenautoriteit kan worden afgestempeld — zonder dat afgestempelde bewijs zullen de vrijstellingen voor het wegtraject bij controle waarschijnlijk worden geweigerd.
Bronnen
Laatst geverifieerd aan de hand van de primaire bronnen: 2026-07-09
Meer over douane en handel
AEO-status: wat Authorised Economic Operator biedt en wat het vraagt
De AEO-status merkt u bij de douane aan als betrouwbare marktdeelnemer — minder controles, voorrang bij de afhandeling en eenvoudiger toegang tot vereenvoudigingen. Daar staat tegenover dat u aan vaste criteria moet voldoen: een schone nalevingsgeschiedenis, controleerbare administratie, solvabiliteit en vakbekwaamheid.
EU-douane en compliance in het vrachtvervoer: wat digitaliseert, wat het vraagt en waar u begint
De EU digitaliseert en verscherpt douane en vrachtvervoer tegelijk: ICS2-invoerveiligheid, de AEO-status van betrouwbare marktdeelnemer, eFTI-vrachtinformatie, het maritieme éénloketsysteem EMSWe en de douanehervorming van 2028. Dit dossier koppelt elk regime aan zijn primaire EU-rechtsbron, met de verplichtingen en tijdlijnen die ertoe doen voor complianceverantwoordelijken bij expediteurs, terminals en verladers.
Digitalisering van de douane: wat het DWU, ICS2 en eFTI van vervoerders vragen
De EU vervangt papieren douane- en vrachtformaliteiten door verplichte elektronische gegevensuitwisseling op grond van drie instrumenten — het douanewetboek van de Unie, ICS2 en de eFTI-verordening — met gespreide deadlines in 2024-2025 die expediteurs, terminals en verladers raken.
Volg dit onderwerp
Ontvang een e-mail zodra hier iets verandert. Geen account nodig; bevestigen per e-mail (double opt-in).
Wij gebruiken uw e-mailadres uitsluitend om updates over dit onderwerp te sturen. U kunt zich op elk moment afmelden. Zie onze privacyverklaring.
← Alle onderwerpen over transport en logistiek